Kwetsbaar als een riet
(Hoofdstuk 5, slot.)
door Loek Meijer
5.
Het was dan bijna zover: donderdag, daags voor het concert. Had ik voordien met prettige voorgevoelens kunnen praten over wat er te gebeuren stond, thans begonnen de zenuwen zich zo te roeren dat ik ze niet meer met andere gevoelens kon overstemmen. Omdat ik voorzag dat het de volgende dag rampzalig zou zijn op kantoor - ik zou te ongedurig zijn om te kunnen werken -, bestelde ik bij de afdelingssecretaresse voor die dag verlof. Daarna - een uur te vroeg - ging ik naar huis.
's Avonds was er generale repetitie. Er waren wat mensen meegekomen. Hierdoor werd een verhoogde spanning teweeggebracht. Een ander voordeel was, dat zij aanwijzingen konden geven die tot verbeteringen konden leiden. Met opzet had ik jou hiervoor niet uitgenodigd. Ik wist dat mijn vertolking van het klarinetkwintet, op het larghetto na, niet de jouwe was. Een woordenwisseling over de interpretatie leek me niet uitgesloten; ik wenste die echter niet. Buitendien speelde mee dat ik jou in verband met het concert niet als leermeesteres, maar als vriendin wilde ontmoeten. Agnes had ik evenmin voor deze repetitie gevraagd. Haar wilde ik het geschenk in één keer zo gaaf mogelijk aanbieden. De uitwerking zou daardoor, meende ik, des te sterker zijn.
Mijn prestaties die avond gaven geen aanleiding tot bezorgdheid. Alleen in de derde variatie op het thema ging er iets verkeerd; ik maakte van een gebroken drieklank een gebroken septime. Een kleinigheid, want ik had de overtollige noot prompt weten te compenseren door een andere over te slaan. Als het in de concertzaal hierbij zou blijven, zou ik zeer tevreden zijn.
Ondanks het geruststellende verloop van die avond, duurde het uren voordat ik in slaap viel. Steeds opnieuw kwamen mijn rondvliegende gedachten op deze ene vraag terecht: zal ik het er morgen ook goed van afbrengen? Met lezen kon ik deze gang van zaken wel onderbreken, maar zodra ik het boek weglegde hervatten mijn gedachten hun als het ware geprogrammeerd gedrag.
Toen ik 's morgens na een paar uur slaap wakker werd, herinnerde ik mij een droom. Ik zal proberen je hem zo precies mogelijk na te vertellen.
Ik gaf een openluchtconcert, gezeten op een steiger, mijn geschoeide voeten in het water. Aan de overkant van de sloot bevond zich het publiek, dat ik waarnam door het massale gehoest dat het voortbracht wanneer er een pauze viel in de door mij geïmproviseerde solo. Op een zeker ogenblik voelde ik iets in aanvaring komen met mijn voeten, alsof er een grote vis tegen aan botste. Ik maakte een onwillekeurige schrikbeweging, waardoor mijn spel lichtjes haperde. Meer was er niet van te merken. Even later was de schrik echter groter. Ik voelde een knellende hand, vlak boven mijn rechter enkel, die met kleine rukjes pogingen in het werk stelde mij van mijn plaats te trekken. Terwijl ik zo goed en zo kwaad als het ging doorspeelde, probeerde ik door met mijn voet te schoppen de aanval af te weren. Met succes. De hand verslapte en gleed weg. Maar niet voor lange duur. Nu was het mijn linker been waaraan werd gerukt, krachtiger dan tevoren. Om voorgoed van het gedonder af te zijn trok ik mijn voeten uit het water. De hand liet zonder verzet los. Ik richtte me op en plaatste de hakken van mijn soppende schoenen tegen de slootkant achter me die iets boven de steiger uitkwam. Om deze positie in te kunnen nemen had ik mijn solo moeten onderbreken. Terwijl ik me opmaakte voor de hervatting van mijn optreden, werd ik me er bewust van dat het publiek niet reageerde op de onderbreking. Het hoesten was niet sterker of zwakker geworden, noch waren er andere geluiden bijgekomen. Zag het dan niet wat er gebeurde?
Ik had na de hervatting nog geen tien maten gespeeld of floep, daar werd de klarinet uit mijn mond getrokken. Ik kon maar net voorkomen dat ze uit mijn handen viel.
Ik had de indruk dat mijn tegenstander - ik vermoedde inmiddels dat ik met een persoonlijk gerichte aanval te doen had - zich uit het water had opgehesen om met één hand de beker van het instrument te kunnen vastgrijpen. Nochtans had ik geen geluid gehoord dat deze indruk had kunnen bevestigen. Vooral dit onverklaarbare vervulde me met vrees. Ik week - voorzichtig tastend met mijn voeten - naar achteren, totdat ik een meter of twee van de slootkant vandaan met mijn rug op prikkeldraad stuitte. Met de moed der wanhoop zette ik de klarinet weer aan mijn mond, maar nog vóór ik aan blazen kon toekomen werd er zo hard aan het instrument gerukt dat ik het uit mijn handen verloor, waarna het met een plof in het ruige gras viel. Terwijl ik me verbijsterd in een reflex bukte, drong het aanzwellend hoesten van het publiek tot me door. Waar ik de klarinet had hopen te vinden, vond ik haar niet, evenmin in de naaste omgeving. Radeloos begon ik al kruipend kringen te beschrijven waarbinnen ik met wild zwaaiende armen de grond afzocht. Omdat er geen hulp kwam opdagen, zette ik het op een roepen:
"Help me dan toch! Kom me dan toch helpen!" Toen dit niets uithaalde, begon ik te gillen:
"Help! Help!"
Ik riep overigens niet alleen hulp in voor het vinden van mijn klarinet, maar ook hulp tegen de vijand, voor wie ik des te banger was geworden, doordat ik met een schok tot het besef was gekomen dat ik niet wist hoe ik hier vandaan moest komen, anders dan zwemmend. Was er afgesproken dat iemand mij zou komen ophalen? Lag er ergens een boot waarmee ik kon overvaren? Ik kon me er niets van herinneren. Ik was volledig overgeleverd aan mijn belager en het publiek dat vooralsnog niets beters te doen wist dan het hoesten voort te zetten. Een muzikaal hoesten, dat moet ik toegeven; in akkoorden, zoals we op het instituut vaak in akkoorden het rozenhoedje hadden gebeden, doorspekt met lachwekkende dissonanten.
Toen mijn stem het had begeven, liet ik me uitgeput op de grond zakken. Nadat ik daar een poosje verdoofd had gezeten, met mijn voorhoofd op mijn opgetrokken knieën, mijn armen er beschermend omheen geslagen, begon ik inwendig tegen het publiek uit te varen. Wat was dit voor een achterlijk publiek, dat alleen tot hoesten in staat scheen? Was er nou niemand tot wiens botte hersenen het was doorgedrongen dat ik me in een wanhopige toestand bevond? Ik had het publiek toch niet een of andere act toegezegd? Of haalde het soms een grap met me uit?
Ineens regende het. Een echte zomerse stortbui was het. Ik sprong overeind. "Mijn klarinet! Mijn klarinet," riep ik luidkeels. "Als dat ding nat wordt gaat het roesten! Waar is hij gebleven!"
Ik liep in de richting waar ik het publiek vermoedde; door het oorverdovend geplens overal om me heen was ik het geluid van het hoesten en daarmee mijn oriëntatie kwijtgeraakt. Ik deed een pas voorwaarts, een pas naar links, een pas achterwaarts. Hulpeloos zocht ik met mijn voeten de grond af. Op het ogenblik dat ik weer zou gaan roepen hoorde ik door het gekletter van de regen heen haar stem, vlakbij, en werd mij een drijfnatte klarinet in de handen gestopt.
"Hier Huib, spelen," riep ze boven het lawaai van de regen uit. "Speel dat de regen moet ophouden!"
"Maar wat moet ik dan spelen?", riep ik vertwijfeld.
"Het enige lied dat helpt, dat moet je spelen."
En toen begreep ik haar ineens. Natuurlijk, dit moest het zijn:
Don don dijhijne,
Laat het zonnetje schijhijne,
Laat de regen overgaan,
Dan kunnen we strakjes naar buiten gaan.
Het was moeilijk spelen op het druipende instrument doordat mijn vingers steeds van de glibberige kleppen gleden, en het geluid was - voorzover boven het gekletter uitkomend - afgrijselijk om aan te horen. Agnes was naast me gaan staan en zong mee. Toen ik het melodietje tweemaal had gespeeld, juichte ze:
"Ja, het helpt! Nu een toon hoger beginnen!"
Ik gehoorzaamde gewillig; niet omdat ook ik enige uitwerking bespeurd had, maar omdat ik bereid was om alles te doen wat ze van me zou vragen, blij als ik was dat ze me als het ware vaste grond onder de voeten had gegeven. Ze had goed gezien. Na enige herhalingen nam de stortbui verder af en nog wat later kwam de zon door.
"Zo is het goed," stelde ze vast; "dit motregentje kan geen kwaad. Kermis in de hel, wat wil je nog meer!"
Ik nam de klarinet uit mijn mond en begon er met mijn handen het water af te vegen. Onderwijl zei ik:
"Ik snap er niets van! Werkelijk, ik snap er niets van!"
"Waarvan?"
"Van wat er allemaal is gebeurd natuurlijk! Eerst dat stomme gehoest van die mensen aan de overkant; dan dat getrek aan mijn voeten; daarna de verdwijning van mijn klarinet en ten slotte jouw komst. Zat jij soms te luisteren? Heb je gezien wat hier voorviel?"
"O, bedoel je dat," zei ze verbaasd, alsof er andere dingen moesten zijn waarover ik me druk kon maken.
"Nou," vroeg ik, "vind jij dat zo gewoon?"
"Voel maar eens aan me," zei ze uitdagend, "of durf je soms niet, terwijl er zoveel ogen op je zijn gericht?"
Ik stak weifelend een hand naar haar uit, stamelde:
"Mijn klarinet, mijn klarinet moet ik ergens kwijt."
"Ach, leg maar op de grond," zei ze onverschillig, "dat ding is toch smerig."
Ik aarzelde. Enerzijds was er de angst dat ik het instrument niet zou kunnen terugvinden; anderzijds was er het gevoel dat ik op Agnes' steun kon rekenen. Ik legde de klarinet neer en vroeg me af waar ik moest voelen en wat ik eigenlijk moest voelen. Op de avonden dat ze bij me was had ik haar soms vurig begeerd. Ik had het echter nooit durven uiten, bang dat ik terrein zou betreden dat ze ongerept wilde houden. Nu ze me uitdaagde om haar aan te raken was er geen sprankje hartstocht bij me te bespeuren en ontbrak het me zelfs aan nieuwsgierigheid. Daarom was het met terughoudendheid dat ik haar naderde en mijn handen uitstak ter hoogte van waar ik haar schouders vermoedde. (Ik gokte trouwens precies goed!)
Wat had ik verwacht? Een zomerse jurk, zonder mouwen? Een luchtige bloes? Naakt waren haar schouders, op een om haar hals lussend bandje na.
"In bikini? Ben jij in bikini hierheen gekomen?", vroeg ik niet begrijpend. "Is dat niet wat overdreven?"
Ze ging er niet op in. Ze moedigde aan:
"Voel maar verder, ik besta niet alleen uit schouders!"
Ik wist niet wat ik ermee aan moest. Het leek erop alsof ze mijn tot dan toe in acht genomen distantie wilde afstraffen. Ontredderd zei ik:
"Ik heb er helemaal geen zin in om hier je kletsnatte lijf te bestuderen, laat staan te strelen. Wat wil je toch van me; ik ken je zo helemaal niet."
"Stil maar, rustig maar, dat vraag ik ook niet van je. Ga maar eens omhoog met je handen; mijn haren zijn toch geen onbekenden voor je?"
En toen begreep ik waar ze al die tijd op had aangestuurd. Haar hoofd was bedekt met een dikke laag kroos. Het zat tot in haar oren, tot aan haar wenkbrauwen.
"Wat!" riep ik uit, "Heb jij in die vieze sloot gezwommen?"
"Inderdaad," zei ze plechtig, "ik was het die jij voor een vijand hield."
En plotseling werd het publiek weer hoorbaar. Nu niet hoestend, maar in een machtig spreekkoor, nabauwend wat Agnes had gereciteerd: "Ik was het die jij voor een vijand hield - Ik was het die jij voor een vijand hield - Ik was het die jij voor een vijand hield."
Dat ik deze droom had doorgemaakt als een nachtmerrie mag ik niet zeggen. Niettemin haalde ik verruimd adem toen ik, met de nagalm van het spreekkoor nog in mijn oren, tot bewustzijn kwam. Het half uurtje rust dat me daarna nog door de kinderen werd gegund, besteedde ik aan het zoeken van een verklaring voor de droom. Met name de rol van Agnes hield me bezig. Ik kwam echter niet tot een bevredigende uitleg. Beter gezegd: de voor de hand liggende verklaring - dat ik in Agnes een belemmering zou zien bij het optreden naar buiten - kon ik niet rijmen met datgene wat ik bewust had ervaren. In haar had ik juist een drijfveer gevonden en niet een hindernis. Ik keek er overigens niet van op dat ik iets had gedroomd dat ik niet in overeenstemming kon brengen met bewuste ervaringen. Het was me vaker overkomen dat ik in dromen dingen had beleefd die ik noch had gewenst, noch had geschuwd. Ik zag er daarom geen kwaad voorteken in; daarvoor was de droom te absurd geweest. (Nu ik jou verslag uitbreng van deze droom komt het me voor dat de droom wel degelijk een betekenis had. Ik denk dat er mijn nog niet geheel uitgeroeide ijdelheid in werd blootgelegd; mijn pronkzucht, mijn hang naar bewondering was kennelijk nog niet verdwenen. Die waarschuwing werd mij gegeven, maar werd door mij toen nog niet begrepen.)
Mijn vrije dag begon ik met een stevige wandeling naar en door het Zorgvlietpark, met Matthijs in het rugstoeltje. Het was koud, maar zonnig. Ik was voortdurend met mijn gedachten bij het concert, echter zonder dat ik me er onbehaaglijk bij voelde. Terwijl ik me thuis onder het warmen van mijn handen zat af te vragen wat ik de rest van de dag zou doen, maakten de zenuwen zich van me meester. In mijn maag kreeg ik het gevoel alsof ik lange tijd niet gegeten had, maar trek in eten had ik niet. Bovendien ging ik er rekening mee houden dat het 's avonds zou kunnen misgaan; dat ik onoverkomelijke fouten zou kunnen maken, zoals een inzet missen of een verkeerde passage aanvangen. Hilde probeerde me een handje te helpen door me naar boven te sturen, naar mijn werkkamer. Daar zou ik me rustig kunnen voorbereiden, meende ze. Ik volgde haar raad op, hoewel ik liever afleiding had gezocht in huishoudelijke karweitjes; op dat idee was ik echter te laat gekomen.
"Pas met de koffie wil ik je weer beneden zien," riep ze me nog waarschuwend na.
Ik speel niet vaak in mijn werkkamer; de kinderen slapen er vlak boven. Het viel me daardoor weer op hoe besloten en intiem het er klinkt, heel anders dan in de woonkamer, waar het geluid breder en langer wegdrijft en door muren en zoldering wordt teruggekaatst. De laatste keer dat ik hier speelde was in aanwezigheid van Agnes. De herinnering hieraan bracht me ertoe na de verplichte lange tonen - veertig in getal - en enige etudes nog iets moois te spelen. Ofschoon ik me daags tevoren had voorgenomen het klarinetkwintet tot aan de uitvoering te laten rusten, kon ik het niet nalaten om het larghetto te spelen. Meermalen had ik het gespeeld, terwijl Agnes in de luie stoel zat te luisteren. Bij haar eerste bezoek hier had ik het gespeeld als een soort vriendschapsbetuiging, zij het een heimelijke. Heel gedragen speelde ik het nu, met wollen tonen, en ik stelde me voor dat ze opnieuw aandachtig luisterde, haar ellebogen op de knieën, het gezicht in haar handen. Ik ging zo in deze inbeelding op dat ik de gewaarwording kreeg dat iemand dit stuk voor mij speelde; dat iemand mij met dit zachte, warme weefsel van klanken toedekte. Toen de laatste toon nauwelijks merkbaar was weggevloeid in de stilte, nam ik ontroerd in de luie stoel plaats. Wat een geschenk, dacht ik, om zulke muziek te kunnen maken. Valt mijn vermogen om het uit te voeren daarbij niet volledig in het niet? Als ik zoiets zou kunnen maken - niet spelen, maar verzinnen -, pas dan zou ik reden hebben om trots op mezelf te zijn. Wat heerlijk zou het zijn om mensen van wie je houdt geschenken te kunnen geven in de vorm van muziek, zoals Van Beethoven Für Elise cadeau moet hebben gedaan. Maar nee, deze gave bezat ik niet. Ik mocht blij zijn dat ik andermans muziek kon vertolken. Ik moest er tevreden mee zijn dat ik de hand was waarmee het geschenk kon worden overgedragen.
Voordat ik naar beneden ging, veronderstellend dat het koffietijd was, vertroetelde ik de klarinet nog even door het kurk van de verbindingen in te vetten en een geoliede wisser door het instrument te trekken. Ter afsluiting van dit ritueel - een bezwering bijna - poetste ik het op met een wollen doek. Hierna mocht ik, zo meende ik, verwachten dat de klarinet me 's avonds welgezind zou zijn.
"Tot vanavond," zei ik en ik sloot het koffertje behoedzaam af, alsof ik de klarinet met een minder omzichtige handelwijze uit zijn concentratie zou hebben gehaald.
Toen ik de trap afliep rook ik het al: ik was te vroeg.
"Heb ik je al geroepen," vroeg Hilde schamper.
"Ik voelde me geroepen," antwoordde ik in een poging mijn gezicht te redden, "maar als ik me daarin heb vergist ga ik wel weer."
"Haha, laat naar je kijken," lachte ze en vervolgde: "Ga maar een paar lekkere gebakjes halen. Als je terugkomt is de koffie klaar."
De herinnering aan Agnes op de werkkamer en de bekoorlijke klank van de klarinet hadden mijn stemming zodanig verbeterd, dat ik best trek had in gebak. Kwarkpunten zou ik kopen; daar waren we allebei dol op.
Hilde was zo verstandig te wachten tot ik mijn koffie en gebak op had eer ze vertelde dat Agnes had opgebeld.
"Wat? Agnes opgebeld? Waarom? Komt ze soms niet?"
Ik wist het natuurlijk meteen. Er kon geen andere reden voor opbellen zijn dan om af te bellen.
"Inderdaad," zei Hilde; "ze kan onmogelijk komen vanavond. Ze heeft griep. Ze ligt met negenendertig graden koorts op bed."
Ze zei het op een manier die me duidelijk maakte dat ze vermoedde wat dit voor mij betekende.
"O Jezus." Het was eruit voor ik er erg in had.
Ik had ineens geen zin meer in het concert. Dit zei ik echter niet. Ik wilde me in dit geval niet tegenover Hilde laten kennen. Ik wilde niet mijn gevoelsmatige afhankelijkheid van Agnes tonen, omdat ik deze steeds had ontkend. Maar Hilde merkte toch wel hoe belabberd ik me voelde. Ze bood me nog een kopje koffie aan, maar dat sloeg ik af. Ik ging weer naar boven.
Ik voelde een grote leegte in me, waarin de wens dat de uitvoering niet zou doorgaan des te luider klonk. Tuimelend joegen de gedachten door mijn hoofd. Hoe ik me had ingebeeld alleen voor Agnes te zullen spelen; hoe ik me had voorgesteld na het concert door haar omhelsd te worden en haar eerste zoen te ontvangen; hoe ik me had voorgenomen haar gezicht in mijn handen te nemen en haar ingehouden - en daardoor wellicht des te heviger - mond-aan-mond een lange kus te geven, een warme, lage F.
Ik nestelde me in de luie stoel waarin Agnes zo vaak had gezeten. Ik zat er een paar minuten behoorlijk apathisch bij. Toen zei ik tegen mezelf: "Niet alleen tegenover Hilde heb je ontkend dat je verliefd op Agnes was, maar ook tegenover jezelf. Je kunt er nu toch echt niet meer omheen. Maar hoe dan ook, vanavond heb je wat te presteren. Je zocht toch die uitdaging?"
Ik besloot een strandwandeling te gaan maken. De zeewind zou me goed doen.
Matthijs wilde weten wat ik ging doen. Het zou niet meevallen zonder hem de deur uit te gaan; dat was duidelijk. Ach, waarom ook niet? Hilde deed hem zijn jasje aan en tilde hem in het rugstoeltje.
En dan nu de laatste etappe, Beatrix. Ik zal je niet vermoeien met de beschrijving van de laatste uren voor het concert. Het lijkt me voor een goede indruk voldoende dat ik zeg dat ik menigmaal wenste dat een snel toeslaande griep mij het concerteren onmogelijk zou maken. Ik denk dat de gedwongen afwezigheid van Agnes me niet eens hoofdzakelijk tot die wens inspireerde. De teleurstelling hierover had ik grotendeels aan de krachtige zeewind meegegeven. Veeleer was het de vermoede omvang van het publiek die me afschrikte. Ik had nog nooit voor zoveel mensen tegelijk iets moeten presteren. Zelfs op weg naar de concertzaal hoopte ik nog op een Deus ex machina waardoor ik het zonder blaam kon laten afweten. Een aanrijding bij voorbeeld. Die hoop durfde ik echter niet tegen Hilde uit te spreken. Ze zou me ongenadig de wind van voren hebben gegeven.
Eenmaal in de artiestenruimte aangekomen en door Hilde aan het strijkkwartet overgedragen, begon de angst aan de terugtocht. De strijkers deden hun best me op mijn gemak te stellen.
"Het ging gisteren toch uitstekend? Waarom zou het vandaag anders zijn?"
Terwijl zij zaten te stemmen blies ik fluisterend op de klarinet; ze mochten me in de zaal nog niet horen. De toon was warm; dit beloofde veel goeds voor het larghetto. Jij had gezegd:
"Als je dat deel goed speelt, dan zul je zien dat bij zowat iedereen de tranen over de wangen biggelen."
Ik had er om moeten lachen. Het leek me sterk overdreven. Op het podium zittend - veilig achter de gesloten gordijnen - ging ik er toch een beetje in geloven dat het mogelijk zou zijn het publiek te ontroeren, zoals ikzelf 's middags weer was ontroerd door deze muziek. Ik dacht aan de mensen van wie ik wist dat ze zouden komen. Agnes was niet onder hen. 's Morgens had het me onmogelijk geleken zonder haar aanwezigheid op te treden, nadat ik me er zo lang op had verheugd dat juist zij zich onder de toehoorders zou bevinden. Die eerste reactie op het afbellen was geslonken tot een jammer vinden dat ze er niet bij zou zijn. De oorzaak hiervan was natuurlijk niet dat ze in die korte tijd minder voor me was gaan betekenen. Lopend over het strand had ik de diepe teleurstelling weggepraat door te overwegen dat Agnes geen mooier concert kon krijgen dan het concert dat ze reeds in ontvangst had genomen bij haar eerste bezoek. De inzet waarmee ik toen had gespeeld zou ik vanavond zeker niet kunnen overtreffen. Het feit dat er nu een strijkkwartet bij was, kon de muzikale waarde weliswaar verhogen, maar niet de waarde als geschenk of blijk van vriendschap. Daarnaast had ik me gerealiseerd dat mijn teleurstelling voor een groot gedeelte het gevolg was geweest van mijn fantasieën over de persoonlijke hulde die Agnes me na afloop zou brengen. Door de zeewind ontnuchterd werd ik me ervan bewust hoe overspannen deze verwachting was geweest. Er was geen enkele reden voor te denken dat ze haar terughoudendheid jegens mij vanavond ineens zou verloochenen. Een vluchtige kus, voorafgegaan en gevolgd door kussen van anderen, zou me ten hoogste te beurt zijn gevallen. Zou ik daaraan dan bijzondere betekenis moeten hechten?
Ik speel voor de grote afwezige, flitste het pathetisch door mijn hoofd. Maar prompt wenste ik dat ik deze gedachte kon uitwissen. Het was niet eerlijk tegenover aldegenen die de moeite hadden genomen om hierheen te komen. Hadden zij er niet evengoed recht op dat ik mijn uiterste best zou doen? Waarom zou ik hun het concert minder gunnen dan Agnes? Ik moest ineens terugdenken aan de godsdienstleraar op de hbs, een Jezuïet. In één van zijn lessen had hij ons inzicht in verliefdheid proberen te verschaffen. Had hij niet gezegd dat verliefdheid egoïstisch maakt? Hij kon gelijk hebben gehad, meende ik nu. Hij had het trouwens ook over afhankelijkheid gehad. Ook daarvoor moest je oppassen.
Me het moment herinnerend dat Hilde me de verhindering van Agnes meldde, schoot me nog een symptoom te binnen. Maakte verliefdheid je niet bovenal kwetsbaar? Kwetsbaar als een klarinetriet?
Het strijkkwartet zou beginnen met een stuk zonder mij. Daarna zou het klarinetkwintet gespeeld worden. Aangezien ik tijdens het eerste stuk niet te kijk wilde zitten, liet ik me zodanig opstellen dat het publiek me niet kon zien. Toen het applaus na het eerste stuk wegebde, kwam de altvioliste me ophalen, zoals we hadden afgesproken. Omdat ik de mensen niet in onzekerheid wilde laten over wat er vreemd aan mij was, droeg ik mijn witte stok bij me. Zo ontspannen mogelijk legde ik hem naast me op de grond zodra ik de solistenplaats had ingenomen. Terwijl ik uit de gebukte houding overeind kwam, werd er op een paar plaatsen in de zaal in de handen geklapt. Hierop bracht het hele publiek de handen in beweging. Ik kreeg hierdoor een goede indruk van de bezetting van de zaal. Goed bezet, concludeerde ik.
Terwijl ik met de strijkers stemde, stelde ik me open voor de sfeer in de zaal. Daar sta ik dan, dacht ik, voor het grote publiek. Had ik me in de dagen dat ik droomde over optredens als dit voorgesteld met een bewustheid van macht tegenover een massa mensen te zullen staan, nu het zover was voelde ik me heel nietig en vroeg ik me af hoe deze dwerg die berg moest verplaatsen. Ik trilde over mijn hele lijf. In mijn oren hing een gesuizel, alsof er een schelp tegenaan gehouden werd. Hoe kon dit tot een goed einde komen, vroeg ik me vertwijfeld af.
Vanuit het kwartet werd het startsein gegeven. Toen ik de kop van de klarinet tussen mijn lippen stak, leek het wel alsof ik stond te klappertanden. Ik had het hele allegro nodig om mezelf in bedwang te krijgen. Wonderlijk genoeg speelde ik wèl alle noten die voorgeschreven waren, maar het spel was erg onzeker, waardoor ik er aanvankelijk niet in slaagde er dynamiek in te brengen. Aan het slot van dit deel was ik echter zover dat ik ook met mijn gevoel kon spelen en dat was dus net op tijd om van het larghetto te kunnen maken wat ik wilde: een zachte hand, die je langzaam strelend terugvoert naar de oorsprong van je bestaan en je daar volmaakt tevreden laat verzuchten:
"Dat ik nu inslape en nooit meer ontwake."
***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website