Door Loek Meijer
Een heerlijk plekje is het hier. Het heeft hem wat moeite gekost, maar uiteindelijk is het hem toch gelukt mij ertoe over te halen enkele dagen te komen logeren. Nou, daar heb ik geen spijt van. We hebben stevige wandelingen gemaakt, knus samen gegeten, bevredigend samen gevrijd en ook nog redelijk geslapen. Dit grasveldje is aan drie zijden omzoomd door struiken en bomen en doordat de vierde zijde grotendeels wordt beschut door het huisje, is er nauwelijks inkijk mogelijk. Het boek ligt op mijn bovenbenen, terwijl mijn handen er van boven naar beneden zigzaggend overheen scharrelen. Als ik onderaan de bladzijde ben, kan ik het niet nalaten even door mijn krullend schaamhaar te kriebelen.
Na een paar bladzijden vallen mijn handen stil. Nee, ik ben niet in slaap gevallen. Ik zit enkel wat te sudderen. Ik maak draaiende bewegingen met mijn hoofd, van links naar rechts en weer terug, maar ook naar voren en naar achteren, even de zon voelen verdwijnen en dan weer die heerlijke warmte over mijn gezicht laten vallen. Het gekriebel van mijn haren over schouders, rug en borsten is maar net te verdragen.
Hé, daar hoor ik de waarschuwingsbel van het tuinhek. Even mijn T-shirt als een gordijntje voor me houden. Gek, eigenlijk, dat ik wekenlang op een naaktcamping kan rondsjouwen zonder een vezel textiel als bescherming tegen blikken nodig te hebben, en dat ik nu zo preuts ben als een meisje dat voor het eerst heeft geconstateerd dat haar borst welvingen lijkt te gaan vertonen. Ik kan het kledingstuk weer wegleggen; ik hoor het gehijg van Tinka.
Ik ben wat bezweet geraakt van de wandeling. Als ik me met een washandje heb opgefrist, besluit ik mijn kleren in de hand mee naar buiten te nemen in plaats van hen aan te trekken. Het is een uur of half vier; de zon zal nog een tijdje warm genoeg zijn om het zonder kleren te kunnen stellen. Het gaat er trouwens niet om dat ik het anders te warm zou hebben. Ik heb tijdens de wandeling lopen dagdromen over Frida; dat maakt een mens gulzig. Van die begeerte wil ik echter een tijdje genieten. Per slot van rekening gaat ze morgen pas naar huis.
Het was behoorlijk warm op de zandweg, zeg ik. Ik heb trouwens wel een boomkruiper horen fluiten.
Wil je dan nu een glas witte wijn?
Het lijkt me heerlijk.
Ik zit tegenover haar aan de terrastafel. Ze schenkt in, geeft mij een glas aan. Ik neem een slok in mijn mond, zoek steun met mijn handen op het tafelblad en reik haar die slok aan. De lieverd ontvangt haar met haar gretige mond, laat de wijn door haar proefgrot circuleren, slikt het vocht met enig geluid door en betuigt haar erkentelijkheid door haar mond weer even open te houden om mijn tong de gelegenheid te geven de hare te ontmoeten. Dat contact zou een begin van een vrijpartij kunnen zijn, maar ik wil die nog even uitstellen. Daarom blijf ik aan mijn kant van de tafel.
Zit je hier al lang?
Misschien een kwartiertje. Ik zat te lezen.
Kun je het nog uithouden in de zon?
Prima, hoor. Het is geen één uur meer.
We hebben al veel gepraat, de afgelopen twee dagen. Ik heb niets meer te vertellen. Ik hoef ook niets meer te weten. Ik denk dat ik eigenlijk het best maar een of ander beest kon zijn; een beest dat gemakkelijk voer vindt en de tijd merendeels kan besteden aan geschurk tegen een soortgenoot. Wat is er fijner dan een hand van een vrouw die strelend over je lichaam glijdt? Misschien de vrouw die geniet van jouw hand die over haar lichaam dwaalt, aandacht bestedend aan de bekende plekjes van genot en op zoek naar nieuwe.
Ze weet niet dat ik hier in mijn blootje zit. Ze kan dus niet weten dat ze haar hand kan uitsteken om over mijn blote huid te glijden of om iets beet te pakken. Ik moet het dus even zelf doen.
Mijn hand pakt het buideltje tussen mijn benen vast en begint er zachtjes in te kneden. Ik stel me voor dat Frida's hand dit doet en dat ze daarbij zegt dat haar hofje natuurlijk lustobject nummer één is, maar dat mijn gevalletje een heel goede nummer twee is.
Ik moet er om lachen; mijn piemel wordt er niet koud of warm van.
Stel je voor, denk ik vervolgens, dat zij nu zat te fantaseren over een vrijage met mij. Zou ik dat moeten voelen aan mijn water? Nou ja, ik bedoel natuurlijk aan mijn lustmakker.
Zou ze, als ze echt in gedachten met mij bezig was, gewaar moeten worden dat ik hier naakt aan tafel zit?
Omdat dat gepruts tussen mijn benen niets uithaalt, houd ik er maar mee op. Per slot van rekening kan ik best even wachten.
“En, ben je geslaagd?”
“Ja, ik vind van wel. Het was wel even zoeken, maar uiteindelijk heb ik toch iets gevonden dat me aanstond.”
“Wat is het geworden?”
“Ik zal het je laten zien.”
Hij hoort het geritsel van plastic zakken. Dan zegt ze:
“Steek je hand maar uit.”
“Zou je het niet willen aantrekken? Daar moet het toch van komen.”
“Wat zeg je me nou? En ik altijd maar denken dat jij meer van uitkleden hield!”
“Doe nou niet zo flauw. Je weet best dat ik ook van kleren kan genieten als de stof me bevalt en ze goed harmoniëren met de vrouw die ze draagt.”
“Rustig maar. Ik maakte maar een grapje. Heb je een ogenblikje?”
Zonder zijn antwoord af te wachten verlaat ze de kamer.
En nu maar hopen dat hij haar aankopen kan waarderen, denkt hij. Een enkele keer is hij veel minder enthousiast dan zij. Meestal gaat het er dan om dat hij de stof te strak geweven vindt; hij houdt van soepel en zacht. Vooral bij een rok of jurk luistert dat nauw. Hij zou trouwens een kleermaker moeten zijn om het echt goed onder woorden te kunnen brengen.
Wat hij in ieder geval lelijk vindt is een mantelpakje, van welke stof ook. Een lange broek van corduroy vindt hij ook niets voor een vrouw. Wat hem betreft draagt een vrouw trouwens helemaal geen lange broek, strak noch ruim. Hij zal wel ouderwets zijn, maar daar zit hij niet mee.
Even later gaat het gordijn voor de modeshow open.
“Kom dan maar keuren,” nodigt ze hem uit.
Hij staat uit zijn stoel op en loopt naar haar toe. Ze staan tegenover elkaar. Hij begint expres te hoog.
“Gelukkig, je haren zijn hetzelfde gebleven. Nou ja, voor de gein zou je natuurlijk eens een hoofddoekje kunnen omdoen.”
Langs haar loshangende lange haren laat hij zijn handen afglijden naar haar schouders.
“Ha, je hebt een lekkere trui gekocht.”
Een trui van dikke, onregelmatig gesponnen wol, met dikke pennen gebreid.
“Voel eens goed,” moedigt ze hem aan.
Hij verplaatst zijn vingers naar het voorpand. Het blijkt een vest te zijn. Vanuit de V-hals daalt een rits met grove tanden of schakels – hoe heten die dingen eigenlijk? – af tot halverwege haar bovenbenen. Om dit vast te stellen moet hij een stapje naar achteren doen en enigszins door zijn knieën zakken. Er is geen moeite gedaan om de rits aan het oog te onttrekken. Hij laat de nagel van zijn wijsvinger over de rits omhoog hobbelen, terwijl hij weer recht gaat staan. Vanaf haar schouders volgt hij met zijn handen de mouwen. De manchetten zijn wel een halve decimeter teruggeslagen. Haar armen vastpakkend laat hij haar een draai van 180 graden maken, zodat ze met haar rug naar hem toe komt te staan. Hij steekt zijn handen tussen haar armen en ribben, stelt vast dat het vest haar oksels niet strak omspant en laat zich meedelen dat haar borsten zijn samengesmolten tot een boezem.
“Je ziet er prachtig uit,” zegt hij prijzend, “en de warmte straalt eraf.”
“Tevreden dus?”
“Ja, nogal.”
“Heb je hier genoeg aan?”
“Heb je dan nog meer nieuws aan?”
“Kijk zelf maar.”
De stretchbroek herkent hij. Hij zal dus onder het vest moeten zijn. Hij pakt de robuuste trekker van de rits vast en schuift deze langzaam omlaag; dat maakt een mooi tikkend geluid. Nadat hij de twee ritshelften heeft losgekoppeld, trekt hij het vest in een resoluut, breed gebaar, achterwaarts stappend over haar armen heen en hangt het op goed geluk over de rugleuning van een eettafelstoel.
“Zie je nu wel dat je dol op uitkleden bent!”
“Ik moest toch naar de andere aankopen op zoek?”
“Had je de rits niet voor de helft kunnen opendoen? Heb je eigenlijk wel gezien dat hij ook vanaf beneden losgemaakt kan worden?”
Nee, stom, dat had hij niet.
“Zo kan ik er toch veel beter bij?”
Een T-shirt met lange mouwen, voelt hij. Is dit nieuw of had ze het al? Stiekem ruikt hij eraan. Nieuw. Heerlijk zacht katoen. Kraagloos. Een ronde hals, met een brede rand afgezet. Drie gestoffeerde knoopjes aan de voorkant, het bovenste is los. De okselnaden zitten precies op de goede plaats. Zijn handen glijden wat omlaag, schuiven dan aan de voorzijde naar elkaar toe. De lichte welving die zij voelen vertedert hem. En hoe zit het met de andere welvingen?
“Jaja, ben je nu het T-shirt aan het voelen of iets anders?”
“Ik moet toch voelen hoe het zit? Anders had ik evengoed mijn hand in die plastic zak kunnen steken.”
“En, kan het uw goedkeuring wegdragen?”
“Het lijkt wel alsof ze het koud hebben.”
“Vind je het gek! Reken maar dat ze genoten van dat warme vest.”
“Goed, ik begrijp de hint. Steek je armen maar naar achteren.”
“Ben je dan al klaar?”
“Wil je zeggen dat er nog meer nieuws onder de zon is?”
“Misschien zijn er wel twee zonnen.”
Aha, madame heeft flink uitgepakt!
Hij trekt het T-shirt uit haar broek. Zal hij het tot haar oksels opstropen of helemaal uittrekken? Uit esthetisch oogpunt kiest hij voor het laatste. Nadat hij het bij het vest op de stoel heeft laten vallen, vinden zijn handen zonder omwegen de nieuwe bh. Hoewel hij egaal in de regel mooier vindt dan oneffen, laat hij met genoegen zijn vingers langs het kantwerk aan de bovenkant glijden. Daarna legt hij zijn handpalmen tegen de onderkant van haar borsten waar ze door het katoen heen van de ronde warmtebronnen, de twee zonnen, genieten. Anders dan de stof van het T-shirt lijkt het katoen van honderden gaatjes voorzien, als gaas. Blote borsten zijn mooi, overweegt hij, maar als ze door een beugelloze bh in compacte vorm worden aangeboden, is hun schoonheid soms overweldigend.
“Ook dit is een goede aankoop,” zegt hij; “Zal ik kijken of daaronder nog meer nieuws is?”
Ik hoor dat hij opstaat. Ik blijf doodstil zitten om goed te kunnen voelen hoe hij reageert als hij mijn naaktheid ontdekt. Hij komt heel bedaard om de tafel heengelopen; hij wil daarmee zeker de spanning opbouwen. Wat zal hij verbaasd zijn!
Hij gaat achter mij staan en laat zijn handen precies op mijn borsten neerkomen.
Er gaat een siddering door hem heen. Dan zegt hij: Verrek! Hoe kun je nu over kleding zitten voorlezen, terwijl je geen draad aan je lijf hebt!
Ik zeg: Dat is zeker wel schrikken, hè?
Even lijkt hij geen antwoord te hebben. Dan komt hij naast me staan, pakt mijn hand en zegt: Twee zielen, één gedachte.
(Nijkerk, februari 2006.)
- - -
(Gepubliceerd in Mensen-Leven, mei 2008.)
***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website